Bij het afscheid van Hafid

foto © Familie Bouazza

Als jong kind had Hafid twee eigenschappen: hij maakte alles stuk en kon niks voor zichzelf houden. Bouharras, noemde mijn moeder dat. Stukmakeritis. En soms kwamen die twee eigenschappen samen, als hij bijvoorbeeld iets stuk had gemaakt en onder het bed had verstopt. ‘Waarom kijken jullie onder het bed?’ zei hij dan tegen mijn moeder of een zus die nietsvermoedend de kamer binnen liep. Ze wisten van niets, níemand keek onder het bed, maar nadat Hafid hen erop had gewezen, werd er natuurlijk wel gekeken.

Mateloze toewijding was een andere eigenschap, al vaker geroemd. Nadat de Marokkaanse atleet Said Aouita in 1984 goud won op de Olympische Spelen van Los Angeles, stortte Hafid zich op het hardlopen. Fanatiek ging hij trainen en deed op een dag mee aan een wedstrijd in het nabij gelegen dorp Meerkerk. Hij werd tweede en werd thuis als een kampioen onthaald met zijn trofee. Ik mocht ongezien de nummer 1 niet, want ik kon me niet voorstellen dat iemand anders beter of sneller kon zijn dan mijn broer. De liefde voor hardlopen doofde daarna snel, die voor boeken, muziek – hij zat in een band met mijn broers – en films bleef.

Maar niet voor Silence of the Lambs. Die vond hij maar sentimenteel, als het aan hem had gelegen, had de film een heel ander einde gekregen waarbij Hannibal Lector en de seriemoordenaar Buffalo Bill samen lang en gelukkig moordend door het land trokken.

We groeiden hecht op. De band bleef nadat hij in Amsterdam ging wonen, bleef toen hij een gevierd schrijver werd, bleef toen hij de liefde voor de roes ontdekte. Wanneer ik in Amsterdam moest zijn, logeerde ik vaak bij hem. Zoveel nachten heb ik in zoveel van zijn huizen doorgebracht. Ik kan me ook een nachtelijk bezoek aan een bar herinneren. Terwijl hij het ene biertje na het andere shot weg klokte, zat ik naast hem. Met een glas Fanta.

Een keer spraken we af in Café de Zwart vlak voor ik naar New York zou gaan om Willem Dafoe te interviewen. ‘Ga je Martin Scorsese ook ontmoeten?’ vroeg hij. ‘Ik weet het niet, ik hoop van wel’, zei ik. Waarna hij me een opdracht meegaf: ‘zorg dat je een van die twee neukt.’ ‘Ik ga mijn best doen’, was mijn volstrekt ongeloofwaardige antwoord.

Andere liefdes waren drop en koken. Toen we klein waren, kregen we van onze moeder een gulden en gingen we vaak samen drop halen bij de plaatselijke drogist. De harde, ronde honingdropjes waren favoriet. Nadat hij was behandeld en een pauze nam van de roes, hervond hij de drop weer. Panda natuurdrop om precies te zijn. In die drop-overgave vonden we elkaar.

Hij kreeg in die periode ook enorm veel plezier in koken, bestelde obscure, oude Arabische kookboeken en experimenteerde met recepten van eeuwenoude gerechten. Dan belde hij onze moeder op om te vragen naar vergeten ingrediënten.‘Waar hij nu weer mee komt’, zei moeder dan. Na moeders overlijden, belde hij mijn zus Fadila als hij vragen had over recepten.

Mijn dierbaarste herinneringen zijn die aan zijn woning aan De Lairessestraat. Een prachtig huis dat op maat gemaakt leek voor de bohémien die Hafid was. Op sommige zaterdagen gingen we op bezoek bij hem, moeder, broer, neefje en ik. Zodra we binnen waren, begon hij met Abdellah te kletsen over films, boeken, opera’s. Hij had het ene boek nog niet opgepakt, of er werd een dvd in de speler gedaan, andere muziek opgezet. Een spraakwaterval met een aanstekelijke energie en fantastische humor.

Moeder keek dan glimlachend en hoofdschuddend toe, ‘hij kan niet stil zitten’, ze stond op, pakte een doekje uit de keuken en ging schoonmaken. ‘Mááh, niet doen, ik heb een schoonmaakster’, protesteerde Hafid. ‘Ik haal een beetje van het stof weg’ en ze ging onverstoorbaar door.

De tegenstellingen in het publieke leven en debat, bestonden bij ons thuis niet. Daar overheersten de verhalen over vroeger, de smaken van thuis, harde grappen en een geruststellende huiselijkheid.

Zeker, met de jaren kwamen de stilte en de afstand. Ongewild. Het geroezemoes kwam op. Mensen zijn graag voyeur en zelfs speler in andermans leven, zeker van een bijzonder persoon als Hafid. Maar uiteindelijk was dat allemaal ruis. Onbetekenende, onbeduidende ruis.

Het hart van onze band was een onvoorwaardelijke liefde, en ik spreek zeker namens de rest van onze familie, ook Aicha die hier niet bij kan zijn. Een vanzelfsprekende liefde en toewijding, zonder voorbehoud, zonder verantwoording.

Dat wist hij. Ik vroeg hem eens wat ik moest zeggen als mensen weer eens naar hem vroegen. ‘Dan antwoord je dat we het oneens zijn, maar dat je van me houdt.’ En zo was het. Is het.

Ik had mijn organen gegeven als hij daarmee meer tijd zou hebben gekregen.

Hij laat een grote leegte achter en hoewel hij er fysiek niet meer is, de liefde blijft, en ook hij zal voortbestaan. In zijn boeken, zonen, en in onze verhalen. Wie herinnerd wordt, blijft leven.

En voor mij blijft hij voor altijd de prachtige Hafid, een onweerstaanbare vrouwenmagneet, rondlopend in een zwarte broek en zwart hemd op blote voeten in het huis aan De Lairessestraat met de ramen open, de zon die naar binnen schijnt en muziek die door de boxen schalt.

Voor eeuwig jong, voor eeuwig kunstenaar, voor eeuwig een gulzige levensgenieter.

Hafid is zaterdag 8 mei in besloten en liefdevolle kring begraven.

Hassnae

info[at]aichaqandisha.nl

10 Reacties op “Bij het afscheid van Hafid