Zwitsers avontuur

cover tractor

‘Jij moet maar een tijdje naar tante H.’ zei mijn moeder. Ik was 19, broodmager, doorgedraaid en had iets teveel van verboden substanties gesnoept. Alhoewel het idee naar Zwitserland te gaan me niet erg aanlokkelijk leek was ik te lusteloos om me te verzetten. Mijn koffer werd gepakt, er werd een treinkaartje gekocht en ik ging op reis.

In Zürich wachtte mijn tante me op en samen reisden we door naar Winterthur. Van daaruit namen we een boemeltje dat ons naar het dorp bracht waar zij woonde. Oom A. stond klaar voor het station met tractor en aanhanger. De koffers mochten in de tractor, tante H. en ik op de aanhanger. Ik voelde de koude Zwitserse berglucht langs mijn gezicht gaan en vond mezelf heel erg zielig. Het was november en ik zou er tot de zomer blijven. Een onoverzichtelijk lange tijd.

Afkoelend grindzakje
De boerderij waar mijn oom en tante woonden wierp me terug in de 19e eeuw. Er was geen modern comfort. Water moest buiten gepompt worden. Er was één plee aan het einde van de koeienstal. In de keuken stond een groot fornuis dat op hout gestookt werd. Dat brandde de hele dag en verwarmde, door een aangrenzende tegelwand, meteen de kleine woonkamer. In de tegelwand zaten kleine luiken met koperen deurtjes waarin zakjes lagen gevuld met grind. Die zakjes nam je ’s-avonds mee naar bed als een soort kruik. Hard nodig, want het kon er zo koud zijn dat de lakens bevroren leken. Als ik ’s-nachts met 6 pyjama’s en een snel afkoelend grindzakje wakker lag hoorde ik de muizen heen en weer rennen. Die kwamen meel jatten uit een grote zak die op de gang stond. ’s-Morgens waren er tientallen witte afdrukken van muizenpootjes te zien.

Na een paar dagen acclimatiseren moest ik aan het werk. Het was immers geen vakantie. Nadat ik mijn eerste bezoek aan het dorp had gebracht werd mijn tante omstandig gefeliciteerd met haar Italiaanse dienstmeisje. Daar moesten we om lachen. De Zwitsers zijn altijd een gezellig volk geweest als het om buitenlanders ging. Mijn werk bestond uit het verzorgen van de koeien en de kippen, vloeren vegen, duizenden liters water pompen en eindeloze hoeveelheden aardappelen schillen. Ik liep de hele dag rond in een blauwe overall die 10 maten te groot was, enorme laarzen en een rood doekje om mijn hoofd. Dat laatste vond ik wel weer romantisch. Ik voelde me als een van die revolutionaire Russische boerinnen die met gebalde vuist op een tractor werden afgebeeld.

Zwitserse boerin
Soms moest ik met de mannen mee om hout te hakken. Dat ik mijn voeten nog heb is daarom een godswonder. Terwijl ik hulpeloos met een zware bijl liep te zwaaien rolden de mannen over de grond van het lachen. Ik verdacht ze ervan me alleen om die reden steeds mee te nemen. Uiteindelijk lukte het me een paar spaanders van een blok hout te slaan. Met een buiging nam ik het applaus in ontvangst. Ook het pompen van water was in het begin een drama. Ik kreeg de handel niet eens naar beneden wat natuurlijk ook weer tot grote hilariteit leidde. Maar langzaamaan kreeg ik alles onder de knie. Ik was een Zwitserse boerin geworden.

De avonden bracht ik door met tante H. voor het piepkleine televisietje terwijl oom A. keihard snurkend in zijn leunstoel zat. We keken naar nagesynchroniseerde afleveringen van Charlie Chan en oude Hollywoodfilms. Ook volgden we gespannen de situatie in Iran waar Ayattollah Khomeini net de macht van de Sjah had overgenomen. Of we lazen een boek. Ik had van een vriend, heel toepasselijk, De Toverberg van Thomas Mann gekregen en las het ademloos uit. Soms hadden tante H. en ik verhitte discussies over de antroposofie. Zij was een verwoed aanhangster, ik haatte het. Net voordat we echt slaande ruzie kregen was het gelukkig alweer bedtijd.

Heidi von Putten
Tijd om mijn leven in Nederland te missen had ik bijna niet. Ik correspondeerde met wat vrienden en dan had ik even heimwee. Mijn broer stuurde brieven die hij adresseerde aan ‘Heidi von Putten’ en eindigde met ‘Viel liebs von Richard Claydermann’. Maar verder leek alles heel ver weg alsof het een leven was dat ik gedroomd had.

Een bruisend uitgaansleven was natuurlijk ook niet te vinden daar in de Zwitserse bergen. Mijn enige uitjes waren optredens van de plaatselijke dames gymnastiekverenging en een afgrijselijke fanfare. Verder werd ik eens meegenomen naar een familiefeestje waar tot mijn verbazing de dames en de heren gescheiden werden gehouden. Terwijl de gastvrouw de dames haar nieuwe sprei liet zien hoorde ik de mannen lachen en zuipen. Toen ik zei dat ik dat belachelijk vond vloog de naald meteen van de plaat en viel er een dodelijke stilte. De mannen namen in de andere kamer nog een drankje want ik hoorde ‘Trink, brüderlein trink’: het wijsje dat begon te spelen als de dop van de fles werd gehaald.

Voor ik het wist stond ik alweer met mijn koffers op het station om terug te gaan naar Nederland. Ik was 8 kilo zwaarder en had blozend rode wangen gekregen. Om 8 uur ’s-avonds was ik thuis. Drie uur later stond ik alweer met een joint in mijn handen in het Paard van Troje.

Tevreden vrouw
Binnen een mum van tijd zat ik weer helemaal in mijn oude Nederlandse leven al paste ik wel op met drugs. Mijn vrienden wilden alles weten over mijn Zwitserse tijd en ik vertelde ze over de koeien, het houthakken, de kou en de gymnastiekvereniging. Om ze aan het lachen te krijgen vloekte ik in het Zwitser-Duits dat ik uitstekend onder de knie had gekregen. En na verloop van tijd werd het een herinnering.

Toch ben ik niet alles vergeten. Soms draai ik de warmwaterkraan open en denk aan de pomp achter de koeienstal. Of ik zet de kachel aan en realiseer me dat dit gewoon kan zonder eerst een rit in de bergen te maken om hout te hakken. Mijn Zwitserse avontuur heeft ervoor gezorgd dat ik altijd weer weet in welke luxe ik leef. Het houdt me met mijn benen op de grond. Het heeft een tevreden vrouw van me gemaakt.

signatuur rebecca

rebecca[at]aichaqandisha.nl